Mijn hoofd is een bende – Hendrik de Pecker

Wanneer ik naar huis loop, loopt hij in mijn passen, ik kan het horen. Zijn arm legt hij over mijn schouders en met een lach van iemand die doet alsof we oude vrienden zijn, loopt hij naast me.

Hij volgt me ongevraagd naar binnen. Installeert zich recht tegenover mij wanneer ik aan mijn bureau ga zitten. Schuift dan zijn stoel een beetje naar achter, dan weer naar voren, dan weer naar achter en legt tenslotte zijn rechterbeen over zijn linker.

‘Dussss… Wat is meneer van plan?’ vraagt hij. Hij kijkt me aan met die ene blik die psychiaters en schooljuffrouwen met een strenge bob delen: autoritair, lichtelijk verachtend, maar overwegend zelfingenomen.

‘Negeer hem. Negeer hem. Negeer hem,’ fluister ik mijzelf in.

‘We gaan toch niet schrijven, hè? Hier hebben we het toch over gehad?’ zegt hij terwijl hij een slok neemt van mijn koffie. ‘Dat is verdane tijd. De enige die jouw werk mooi vindt, is je moeder. En die heeft echt geen smaak. Ik bedoel, ze noemt jou je hele leven al een knappe jongen en wij weten beiden dat dat écht niet waar is.’ Hij grinnikt tevreden en neemt nog een slok van mijn koffie. Ik gris de beker uit zijn hand. Even kijkt hij mij ontdaan aan als een kat die tussen zijn ogen is getikt.

‘Anyhow,’ vervolgt hij, ‘lijkt het mij het best als we maar even niet gaan schrijven.’

Met zijn rechterwijsvinger draait hij een cirkel in de lucht om vervolgens zijn vinger te laten landen op de achterkant van mijn laptop. Zachtjes klapt hij deze dicht.

‘Laat me,’ zeg ik. ‘Ik wil gewoon even een beetje spelen. Kan mij het wat schelen of het iets wordt.’

Ik probeer mijn laptop weer open te klappen, maar hij houdt hem halverwege tegen. Zo zitten we daar, onze handen tegen elkaar met daartussen het scherm van de laptop. Een ware Mexican standoff. Plots tovert hij een lach als van een charlatan op zijn gezicht en staat hij op.

‘En denk jij dat deze mensen dat ook deden?’ Met zijn rechterhand gebaart hij naar de boeken in mijn boekenkast. ‘Nabokov, goede schrijver, denk jij dat hij ook maar wat speelde?’ Hij werpt het boek de kamer in. Ik moet bukken om Nabokov niet tegen mijn hoofd te krijgen. ‘Of Tolstoj, of Wallace, of Wieringa, speelse types, maar speelde de schrijver zelf ook?’ Op alfabetische volgorde vliegen de schrijvers door de kamer. Met ieder boek dat hij weggooit, lijkt hij blijer en baldadiger te worden, als een door suiker gedreven kind op een springkussen. Wanneer hij mijn hele boekenkast overhoop heeft gehaald, gaat hij gracieus zitten en legt hij weer dat ene been over het andere.

Ik kijk om mij heen. Zowel in mijn hoofd als in mijn kamer is het nu een bende. In het midden daarvan zit hij, mijn interne criticus, op zijn troon.

‘Dus mijn punt is,’ vervolgt hij, ‘je bent niet goed. Je speelt maar wat. Je kan niet schrijven en iedereen weet dat. Alleen zij,’ hij gebaart met zijn rechterhand naar een onzichtbare menigte, ‘zijn te laf om jou dat te zeggen. Kijk, op mij kan je aan. Ik bén jou, en jij weet toch wel wat het beste is voor jezelf. Dus geef het nou maar toe, jongen, je verdoet je tijd.’ En hij duwt met een vloeiende beweging mijn laptop dicht.

Ik pak mijn laptop vast. Mijn handen tintelen. Ik kijk hem strak aan. Op zijn gezicht heeft hij een voldane glimlach, en tegen die voldane glimlach sla ik met al mijn macht de rand van mijn laptop. Even blijft hij stil zitten, terwijl het licht langzaam uit zijn ogen trekt, waarna hij ineenzakt.

Nu ligt hij daar bewegingsloos op een stapel boeken. Een klein stroompje bloed komt uit de snee op zijn voorhoofd. Hij lijkt niet te ademen, maar hij is niet dood. Dat weet ik. En het zal niet lang duren tot hij weer opstaat, zijn nek kraakt en er alles aan zal doen om mij te ontmoedigen. Maar tot die tijd schrijf ik. Niet omdat het mooi moet zijn of goed. Tot die tijd schrijf ik, omdat ik ervan geniet.

Deel deze pagina:

Columns