Denk ook eens aan Chrétien Breukers – Mathijs Hoogenboom

Lente (je wordt boos omdat ik een foto van ons tweeën in een zwarte lijst heb gedaan)

Ik lig in bed en probeer aan jou te denken, maar dat lukt me niet, want ik denk aan Chrétien Breukers. Niet dat ik ooit iets van hem heb gelezen, van Chrétien. Of althans, jawel: één zin. En die zin is de reden dat ik nu aan hem denk. Aan Chrétien.

*

De eerste vraag die je me stelt als ik thuiskom is of er iets is gebeurd.

‘Zou je erg gekwetst zijn als er iets was gebeurd?’ vraag ik. Je denkt na.

‘Nee.’

‘Dan is er niets gebeurd.’ Ik gooi mijn koffer op bed en begin aan de wieltjes van het cijferslot te draaien.

Terwijl ik me afvraag welke andere betekenissen ik kan bedenken voor de cijfers van jouw verjaardag, roep jij uit de keuken dat je alles in huis hebt gehaald voor mijn lievelingseten, en vraagt hoe snel ik dat kan maken. Het slot klikt en de koffer valt open.

Het aantal mensen met wie ik een hotelkamer heb gedeeld met wie ik niets mocht doen: vier. Niemand heeft me ooit gevraagd naar het aantal mensen met wie ik een hotelkamer heb gedeeld met wie ik iets had wíllen doen.

’s Avonds liggen we op bed en zoeken elkaar in Europese steden.

‘Lissabon,’ zeg jij. ‘Bern,’ zeg ik. Steden waar we zouden wonen als we vrijgezel waren.

‘Wenen,’ zeg jij. ‘Marseille.’ We mogen pas in slaap vallen als we elkaar hebben ontmoet.

‘Londen.’ ‘Bratislava.’

‘Bratislava?’ Je geeft me een trap onder de dekens. ‘Waarom zou ik in Bratislava gaan wonen?’ ‘Bratislava is een mooie stad,’ zeg ik.

‘Het lijkt wel of je niet wilt dat ik je tegenkom.’

‘Sorry. Londen dan.’

‘Zo werkt het niet. Je moet zeggen wat je in gedachten had. Je kan niet pas naar Londen verhuizen als ik er al woon, dan ben ik alweer weg.’ Je draait je van me af en trekt het dekbed naar je toe. Het spel is voorbij, ik heb het verpest. Morgenochtend zal ik te horen krijgen hoe belangrijk je spellen voor je zijn en hoe slecht je door mij hebt geslapen. Ik overweeg tegen je aan te kruipen, maar dan zal je zeggen dat ik je geen lucht geef. Ik reik met mijn hand uit bed naar het licht. Vlak voordat ik het uitklik, zie ik dat er een elastiekje om mijn pols zit.

Zomer (jij komt thuis met Cornetto’s die nog dezelfde avond op moeten omdat we geen vriezer hebben)

Ik denk aan Chrétien, omdat hij de eerste was die een reactie plaatste bij het lege afscheidsbericht op het blog van Jeroen Mettes. Het was 21 september 2006, drie minuten over elf ’s ochtends. Chrétien was waarschijnlijk de eerste die het bericht had gezien. Hij schreef: ‘Zeer origineel, deze recensie van Leegte, leegte die ademt.’

*

We zitten in onze pyjama op de bank met lege ontbijtborden op schoot. We kijken naar de televisie, die op mute aanstaat. Eén kanaal naar boven is de uitzending van een eucharistieviering bezig. Er verschijnt iemand in beeld die op mij lijkt en jij schakelt het geluid in.

‘…met wie we praten over zijn bijzondere debuutroman, die lang op zich heeft laten wachten.’

‘Te lang,’ zegt iemand wiens stem op de mijne lijkt. Hij knikt erbij alsof het iets is waar hij trots op is.

De interviewster houdt met één hand een boek omhoog, en maakt met de andere zoekende gebaren terwijl ze een vraag stelt. Als de man die op mij lijkt zijn mond opendoet om antwoord te geven, sta jij op en loopt richting de deur. Uit je achterzak haal je een pakje sigaretten.

‘Sommige processen kun je niet versnellen, alleen uitzitten,’ roept mijn stem op televisie jou na. In het voorbijlopen werp je een blik op onze boekenkast.

Toen we gingen samenwonen, hebben we onze boekenkast opgedeeld in twee gelijke delen. Het mijne raakte geleidelijk steeds voller met boeken die ik niet van plan was ooit te lezen, tot ik de grens was overgestoken naar jouw deel, waar maar een handvol dikke boeken over natuur­ en sterrenkunde staat, dat je allemaal hebt gelezen.

Op één van jouw planken staan geen boeken, maar staat alleen een kleine wereldbol. Zo een die je in alle kinderkamers vindt, met een snoer aan de onderkant zodat je de aardbol licht kan laten geven. Op de bol staan Mickey Mouse­figuurtjes die kleren dragen of iets aan het doen zijn wat past bij de landen waar ze in staan. Rond de evenaar loopt een verkleurde streep waar jarenlang een elastiek gespannen heeft gestaan.

De eerste keer dat ik haar ontmoette, vertelde jouw moeder trots over de keer dat jij samen met je beste vriendinnetje bij Willem Wever mocht vertellen over de zwaartekracht. Als demonstratie hadden jullie een van jouw astronautenpoppen met een elastiek aan haar wereldbol gebonden. Na de uitzending zouden jullie de wereldbol als wisseltrofee delen, maar nog diezelfde week liep de vriendin voorgoed weg van huis, nadat ze een foto van zichzelf in een zwarte lijst op haar slaapkamer had achtergelaten.

Herfst (ik hang alle klokken in huis met hun gezicht naar de muur en wacht tot het weer zomer wordt; jij zegt dat tijd zo niet werkt)

Ik denk aan Chrétien, die een dag lang moet hebben verondersteld dat Jeroen Mettes per ongeluk een leeg bericht op zijn blog had geplaatst. Chrétien zal die dag nog een paar keer zijn teruggekomen om te zien dat het bericht er nog stond, net als zijn geestige reactie eronder. Hij zal van die dag niet al te veel herinneringen hebben verzameld, maar wat moet die schamele herinnering zich hebben uitgedijd, toen hij de volgende dag het overlijdensbericht las dat op het blog werd geplaatst.

*

Omdat de meeste mensen doodgaan door wat ze binnenshuis uitspoken, rook jij je sigaretten op ons balkon. Ik kom achter je staan en sla mijn armen om je middel. Jij kruipt met de vingers van je rechterhand onder mijn oksel en kietelt me: straks geniet je van de geur van mijn zweet vermengd met jouw sigaretten.

Ik vis een sigaret uit jouw zak en steek hem op. Als onze overburen uit hun raam zouden kijken, zouden ze twee gloeiende stipjes in de nacht zien als boze ogen.

‘De vorige keer dat je met mij rookte was het ook volle maan,’ zeg jij. Je legt je hoofd in je nek en blaast uit in mijn gezicht.

‘Ik hou me niet zo bezig met de maanstand,’ zeg ik. Ik blaas terug. Als de rook optrekt, kijk jij me star aan.

‘Natuurlijk hou jij je daar niet mee bezig. Dat is weer typisch iets voor jou.’

Ik knik, leg mijn hoofd op jouw schouder en kijk naar de sigaret tussen jouw vingers. Tussen de trekken door wijs jij je sigaretten altijd naar beneden, zodat ze sneller opbranden. Je kan er niet tegen als dingen te lang duren. Je spelletjes zijn een manier om de tijd te slim af te zijn, haar sneller te laten verlopen. Vervelen gaat sneller als je iets doet, zeg jij altijd, al staat daartegenover dat je je de verveling later wel beter kan herinneren omdat er nu eenmaal meer is om je te herinneren.

Dan wijs je met de sigaret naar de hemel. Ik weet wat je gaat zeggen. ‘De meeste sterren bewegen sneller van ons af dan het licht. Dat kan omdat de ruimte tussen hen in uitdijt. Alles in het heelal drijft uit elkaar.’

‘Dan zal ik je maar stevig vasthouden,’ zeg ik. Ik druk mijn handen tegen jouw buik alsof ik de nicotine uit je longen probeer te persen. Als ik lang genoeg zo blijf staan, denk ik, zou ik je kunnen verstikken.

‘Daartussenin is alleen maar leegte,’ ga jij verder als ik je weer heb laten inademen, ‘maar in die leegte is het niet stil; er gebeurt van alles. Minuscule, haast niet­bestaande deeltjes die heel eventjes komen opdagen en weer verdwijnen.’

‘Leegte die ademt.’

Je gooit je opgerookte sigaret over het balkonhekje en steekt een nieuwe op. ‘Ik heb dorst,’ zeg je. Ik laat mijn armen langs jouw heupen glijden en loop naar binnen, naar de keuken. In de deur van de koelkast staat een pak melk waarvan de houdbaarheidsdatum samenvalt met een deadline die dichtbij komt.

‘Ik begrijp niet waarom je het blijft proberen,’ zeg jij altijd als ik van de winkels terugkom met een nieuw pak en het voornemen gezonder te leven. ‘Je laat ze steeds over datum gaan en ik mag ze weggooien.’ Ik schenk een glas water in voor jou en neem een aantal grote slokken van de melk. Het laatste beetje laat ik in het pak zitten.

Een paar uur later lig ik in bed en luister naar het piepende geluid in de badkamer, waar jij je gezicht overtrekt in de beslagen spiegel om te zien hoe je je vandaag hebt gevoeld. Ik denk aan het YouTube-filmpje dat je een paar weken terug als startpagina hebt ingesteld op je laptop: de laatste Challengerlancering, omdat je je hebt voorgenomen vaker spontaan in huilen uit te barsten.

Je komt naast me liggen en trekt de dekens tot aan je kin. ‘We gaan een spel spelen,’ zeg je. Je knijpt je ogen dicht. ‘We nemen allebei iemand in gedachten en de ander moet raden wie. Heb je iemand?’ vraag je na een paar tellen. Ik knik. ‘Goed zo,’ zeg je, ook al kan je mij niet zien, ‘dan mag jij nu beginnen met raden.’

Ik begin mensen te noemen. Je denkt niet aan de Dalai Lama, niet aan Isaac Newton en ook niet aan de paus.

‘Waarom noem je alleen maar mannen?’ onderbreek je mij.

‘Oké,’ zeg ik. ‘Je denkt dus niet aan een man?’

‘Jawel, maar het is typisch iets voor jou om alleen mannen te raden.’

‘Ik weet niet aan wie je denkt. Aan wie denk je?’

Je hebt je nachtlenzen in. Ik zie ze heen en weer gaan onder je oogleden, zoals jij overdag ook wild met je ogen beweegt als het je allemaal te langzaam gaat. Dan draai je je van me af. Je hand zoekt naar de lamp op je nachtkastje. Je klikt het licht uit. Ik voel aan het elastiek om mijn pols.

Winter (we spelen verstoppertje in huis tot een van ons vergeet om jou te zoeken)

Ik denk aan Chrétien, die na zijn eerste opmerking niets meer heeft geplaatst. Misschien had hij zo snel gereageerd, dat Jeroen de reactie nog kon lezen voordat hij zijn leven beëindigde. Chrétien zal hebben overwogen zijn bericht te verwijderen, of er een verontschuldigend commentaar onder te plaatsen. Maar voor wie? Degene tot wie hij zich richtte was er niet meer, dus er was niemand meer om zich bij te verontschuldigen. Jeroen had Chrétien achtergelaten met een niet in te lossen, misschien niet eens bestaande schuld.

*

Als ik thuiskom, ligt de astronaut op de grond in de woonkamer. Het geknapte elastiek ligt een paar meter verderop, onder de eettafel, waarop jouw laptop bezig is eindeloos hetzelfde YouTube-­filmpje af te spelen.

‘Als ik in mijn herinneringen graaf, is het alsof ik in de verte kijk,’ heb je mij wel eens gezegd. ‘Soms denk ik dat het niet uitmaakt of ik naar de toekomst kijk of naar het verleden, net als wanneer ik naar de sterren kijk. Het komt uiteindelijk allemaal bij elkaar uit.’ Nadat je dat gezegd hebt, kijk je mij aan en weet ik welke vraag er volgt: ‘Wat is jouw oudste herinnering?’

De jouwe weet ik: het moment waarop je besefte dat niet alles – afstand, speelgoed, liefde – tussen twee uitgestrekte armen past. En de mijne weet jij: dat ik blij was dat ik niet bang hoefde te zijn om te verdwalen, zolang één koord van mijn wanten om mijn pols gebonden zat, en het andere om die van mijn moeder.

Ik loop naar de tafel en raap het elastiek van de grond.

Lente (ik lig in bed)

Ik denk aan jou.

Met dit verhaal won Mathijs Hoogenboom de eerste prijs tijdens Write Now! Utrecht. Lees wat de jury van zijn tekst vond in het juryrapport.

Deel deze pagina:

De oogst