Nu wachten we – Mathijs Hoogenboom

Ergens op de wereld draait een passagiersvliegtuig op een startbaan zijn neus in mijn richting. Terwijl het toestel vaart begint te maken, houdt de copiloot zijn ogen op zijn snelheidsmeter. Hij wacht tot de juiste snelheid is bereikt en zegt: ‘V1.’ De piloot en hij weten: er is geen weg meer terug.

*

‘10, 9, 8, 7…’
– Jack King, 16 juli 1969

Ik ga zitten aan een tafel met uitzicht op de deur. Bijna direct komt er een meisje naast me staan. Ze klemt een stapeltje menukaarten voor haar borst op een manier die me maar al te bekend voorkomt: haar lichaam is een drempel over gegaan die het niet meer terug kan nemen. Het meisje legt een van de kaarten vóór mij op tafel. Als ik hem wil pakken, duwt ze een andere in mijn handen.
‘Wilt u alvast iets drinken terwijl u wacht?’

*

Ik herinner me het verhaal zoals jij het later zou vertellen. Ik herinner me al onze verhalen zoals jij ze vertelde. Van ons tweeën was ik degene die de toekomst vormgaf, terwijl jij het verleden inkleurde.

Ik herinner me dat ik het was die jou had versierd, die nacht, ook al merkte ik jou helemaal niet op toen ik naast je was komen staan, op het grasveld achter mijn flat.
‘Heb je al een wens in gedachten?’ had jij gevraagd.
Ik herinner me dat ik van schrik een paar passen achteruit deed. Ik mompelde excuses en schaamde me voor mijn ongevoelige antwoord: ‘Ik doe niet aan bijgeloof.’
Ik herinner me dat dat het enige antwoord was dat jij had willen horen. Ik herinner me jouw knikje, en dat je bij mij kwam staan. Je legde je hoofd in je nek en ik deed hetzelfde. Ik herinner me dat we wachtten, turend naar de heldere lucht boven ons. Vanaf het eerste moment deelden we dat: we hadden allebei verwacht die nacht alleen te zijn.

Ik herinner me dat ik ongeduldig werd – na een halfuur hadden we er nog niet één gezien – en dat jij probeerde indruk op me te maken met je kennis van de sterren. Je wees de helderste aan en noemde hun namen. Ik zei op mijn beurt hoe de zwakkere heetten, hoe oud ze waren en rond welke mogelijk planeten cirkelden.
Ik herinner me dat jij zei: ‘Zwakke sterren kun je beter zien door vlak naast ze te kijken.’ Ik zei niet dat ik dat wist, of wat de naam van het fenomeen was. Je leek me toen al iemand om af en toe te sparen.

‘Jij kijkt mensen nooit aan als ze tegen je praten. Je kijkt langs ze heen.’
‘Dat is onzin. Hier, nu kijk ik jou toch aan?’
‘Nu kijk je door me heen. Het is alsof je je niet kan focussen op wat zich recht voor je bevindt. Alsof je altijd bezig bent met het volgende.’

Ik herinner me dat ik je vertelde dat ik naar de sterren keek als ik wilde weten hoe klein ik was, dat je soms op iets kleins moest inzoomen om het grotere plaatje te zien, en soms andersom. Ik herinner me dat jij zei dat je voor je werk bijna hetzelfde deed, alleen dan naar beneden kijkend vanuit de lucht, en de regels uit een liedje dat je steevast op dit punt in het verhaal zong: ‘Kijk naar de maan, kijk naar mij, kijk hoe klein wij zijn…’
Het liedje is een van de weinige dingen waarvan ik zeker weet dat je ze later hebt toegevoegd, net als de sigaret die je na het zingen voor me opstak.

‘Waarom rook ik in jouw verhalen altijd?’
‘Vind je dat niet lekker dan?’
‘Je hebt het me nooit gevraagd.’

Ik herinner me dat te hebben gezegd: dat ik niet hield van mannen die vroegen. Ik herinner me te hebben gezegd dat ik hield van mannen die déden, zonder af te wachten, en ik herinner me jouw halfhartige poging om resoluut te zijn die daarop volgde: ‘Goed, ik ga met je uit, maar alleen als je voor jezelf betaalt. Ik ga niet met iemand uit die een ander voor zich laat betalen.’

Ik herinner me dat alles wat zou volgen al in die nacht was gebeurd.

*

‘6, 5, 4…’
– Hugh Harris, 28 januari 1986

Aan de tafel naast mij bestelt een man een kop koffie. Hij rekent gelijk bij het meisje af. Hij geeft haar een fooi en doet er een dikke knipoog bij en een grap die ze al honderd keer moet hebben gehoord: ‘Voor de kinderwagen.’ Ze knikt beleefd en maakt zich uit de voeten.
Ik kijk het meisje na. Ik wil iets tegen haar zeggen. Dat het goedkomt, dat haar lichaam vroeg of laat weer helemaal van haar zal zijn. Maar ik vraag me af of ik het recht heb dat te zeggen.

*

Ik sta voor de kledingkast in onze slaapkamer, op de handdoek waarmee ik me zojuist heb afgedroogd, mijn tenen ingegraven in de zachte stof. Uit de woonkamer klinken doffe stemmen uit een televisiestudio. De presentatrice schakelt heen en weer tussen tijdzones en drukt haar kijkers op het hart dat ze hen van de ontwikkelingen op de hoogte zal houden.
Eén voor één open ik de deuren en de lades van de kast. Ik zet een stap achteruit van de handdoek af en inspecteer de gaten die jij hebt achtergelaten.

‘Ik kom die middag terug. Het stelt niet veel voor.’
‘Dit slaat nergens op. Zeg tegen ze dat je niet kunt.’
‘Ga ’s ochtends gewoon naar de dokter en vertel me ’s middags het goede nieuws. Zo lang kan ik wel wachten.’

Jij kon dat: wachten. Je had genoeg geduld voor ons tweeën. Ik herinner me dat jij op lege middagen naar drukke helpdesks belde en wachtte tot je bijna aan de beurt was, om op het laatste moment op te hangen.
Ik herinner me dit te hebben gezegd: ‘Jij hebt het geduld van iemand die weet dat hij niet meer op tijd komt.’ Maar ik weet niet of dat een herinnering is die ik zelf heb ingekleurd.

‘Het is een kwestie van aftellen. Als je eenmaal bent begonnen met aftellen, is er geen weg terug. Alles wat daarna gebeurt, was al gebeurd op het moment dat je “tien” zei.’

Het ondergoed in jouw la is netjes opgevouwen, wat me niet verbaast. Ik doe een stap naar voren en pak de bovenste boxershort van de stapel. Ik trek hem aan, kneed met mijn ene hand de bolstaande stof voor mijn kruis. Mijn andere hand leg ik op mijn buik. Ik sluit mijn ogen en wacht, niet wetend in welke hand ik verwacht iets te voelen.
De stemmen uit de woonkamer mengen zich met stemmen die van buiten klinken. Ouders en kinderen die het nieuws nog niet hebben gehoord. De kinderen spelen in speeltuinen achter hekjes met brede doorgangen voor de kinderwagens. Een paar maanden nadat wij in deze straat waren komen wonen, werden er plotseling speeltoestellen geïnstalleerd en drempels geplaatst, net als een éénrichtingsbord – omkeren niet mogelijk. Het was duidelijk wat er van de buurt verwacht werd.

Dat was vier jaar geleden.

‘3, 2, 1…’
– Bruce Buckingham, 16 januari 2003

Als ze ziet dat ik mijn kaart heb dichtgeslagen, komt het meisje weer naast mijn tafel staan. Ze haalt een pen en een boekje tevoorschijn en stuitert nerveus op haar hakken en stopt als ze voelt hoe haar bovenlichaam meetrilt. Ik vraag me af hoeveel fooi ze vandaag al heeft gekregen.
‘Bent u klaar om te bestellen?’ vraagt ze. Ik glimlach haar vriendelijk toe en schud mijn hoofd.
‘Ik verwacht iemand.’

**

Dit is de finale-inzending van Mathijs Hoogenboom. Eerder won hij met zijn verhaal ‘Denk ook eens aan Chrétien Breukers’ de eerste prijs bij de voorronde van Write Now! Utrecht. Bekijk hier de andere finalisten en lees hun inzendingen.

Mathijs Hoogenboom (1994) doucht graag iets te lang en iets te warm. Dat is slecht voor het milieu en voor zijn huid, maar goed voor de inspiratie. Hij schreef als speciaal verslaggever voor De Stad Amersfoort en als jeugdauteur voor Oase Magazine. In 2017 stond hij al in de finale van Write Now! en ging hij mee naar het Das Mag Zomerkamp. Sinds kort is hij adjunct-hoofdredacteur Actueel bij hard//hoofd.

Deel deze pagina:

De oogst